Interview met Oberon Nauta: “Nederland moet ingrijpen”

Oberon Nauta (foto: Duco de Vries)

“Nederland is altijd terughoudend geweest in te grijpen in het lokale bestuur van de Caribische rijksdelen uit angst de koloniale kaart toegespeeld te krijgen. De tijd is rijp dat zij deze kaart overtroeft met het argument dat zij niet alleen de volksoevereiniteit heeft te eerbiedigen maar ook eindverantwoordelijk is voor het waarborgen van goed bestuur in de West.”

Dit is de conclusie van Oberon Nauta (37) in zijn proefschrift “Goed bestuur in de West” dat hij afgelopen zomer verdedigde aan de Universiteit van Utrecht. Nauta studeerde in 1999 ook al af op het onderwerp “Openbaar bestuur in de Caribische rijksdelen” aan de Universiteit van Amsterdam.

Hij verbleef aan en af op de toenmalige Nederlandse Antillen en werd getroffen door de soms schrijnende omstandigheden. Het was zijn overtuiging dat de kwaliteit van het bestuur daar in sterke mate mede debet aan was.

In 2006 en 2007, in de aanloop naar de staatkundige veranderingen die hun beslag kregen in oktober 2010, deed hij onderzoek naar het staats- en bestuursrecht in het Caribisch gebied in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

In dat rapport deed hij de aanbeveling het institutionele stelsel van de eilanden meer te enten op dat van de Cariben van het Britse Gemenebest, maar een oproep tot ingrijpen stond er niet in.

Toen op 10-10-10 de kans niet werd benut de institutionele structuur van Curaçao en St. Maarten waterdicht te maken, deed hij die oproep in zijn proefschrift. Hij denkt dat het huidige bestuurssysteem voor problemen zal blijven zorgen.

Zijn grote wens is dat de eilanden zelf tot het inzicht komen dat een Staatsregeling, geschreven met Nederlandse inkt, niet werkt in de Cariben en dat zij vanuit dat besef hun grondwet zelf herzien.

Wat zijn uw voornaamste argumenten?

“Door de kleinschaligheid van de samenleving is het moeilijk om kwalitatief goede bestuurders te vinden, terwijl de taken van de overheid vergelijkbaar zijn met die van het bestuur van Nederland. Personen krijgen ambtelijke posities die hen, gezien hun opleiding of ervaring, normaal nooit zouden toevallen. De kleinschaligheid zorgt bovendien voor een overlap tussen het politieke en sociale: een bestuurder moet zich niet alleen politiek verantwoorden, maar moet ook vrienden en familie tevreden stellen.”

“Problematischer nog voor de kwaliteit van het openbaar bestuur is dat politici overheidsdiensten inzetten als ruilmiddel voor stemmen bij de volgende verkiezingen. Door de armoede zijn mensen afhankelijk van deze steun en groeit de afhankelijkheid van de politicus of zijn partij. Van democratische idealen kopen ze geen brood, maar van een persoonlijke relatie met een politicus worden ze ogenschijnlijk wel beter.”

“Dit systeem dient de politicus en op het eerste gezicht ook sommige kiezers, maar het heeft niets te maken met goed bestuur. Het staat de gezonde ontwikkeling in de toekomst in de weg omdat men met dit systeem niet kan – en vaak ook niet wil – ontsnappen aan cliëntelisme, nepotisme, vriendjespolitiek of zelfs regelrechte corruptie.”

Aan de kleinschaligheid kunnen die eilanden niet ontsnappen, maken ze dan nooit kans op autonomie, laat staan onafhankelijkheid?

“Jawel, maar nog niet nu. De politiek zal deze vicieuze cirkel waarin kiezers en politici elkaar gevangen houden, nooit op eigen kracht kunnen doorbreken.”

“Politici die een onpersoonlijke boodschap van bestuurlijke integriteit uitdragen zullen nooit een meerderheid in de Staten verwerven. De noden van de kiezers zijn simpelweg te groot en politici bestendigen hun macht omdat ze binnen het staatsbestel de mogelijkheid hebben banen of subsidies te verdelen. Dat leidt automatisch tot slecht bestuur want de persoon die op deze manier de baan of de subsidie krijgt, is niet noodzakelijk de beste voor de job. Eigenlijk zelfs per definitie niet.”

“Deze patstelling valt de kiezers noch de politiek te verwijten,
maar als je op de lange termijn gezonde sociaal economische ontwikkeling voor iedereen wil realiseren, moet er nu ingeleverd worden op autonomie. Niets staat immers emancipatie meer in de weg dan slecht bestuur.”

Hoe zou het dan volgens u geregeld moeten worden?

“Of je zorgt ervoor dat politici niet meer bevoegd zijn tot het benoemen van personen, het gunnen van contracten of het toekennen van subsidies zoals dat bijvoorbeeld is geregeld op veel eilanden die behoren tot het Britse Gemenebest, of je laat toe dat Nederland zich actief inmengt wanneer er, naar internationale rechtsnormen, sprake is van slecht bestuur.”

“Het slechte nieuws is overigens wel dat in Nederland de top van het ambtelijk apparaat en de leiding van de zelfstandige bestuursorganen ook grotendeels zijn gepolitiseerd en daar dus eigenlijk het slechte voorbeeld wordt gegeven. Het verschil is dat het in Curaçao veel openlijker gebeurt, niet beperkt blijft tot topfuncties en na iedere verkiezing plaatsvindt.”